The quick brown fox jumps over the lazy dog

wetgeving

4 september 2013

Aan het woord: winnaar Scriptieprijs Saskia van den Heykant – Berman

De Scriptieprijs van 2013 is gewonnen door Saskia van den Heykant – Berman met haar scriptie: 

 
Wet openbaarheid van bestuur: Gaat het om de informatie of om de dwangsom? 
Onderzoek naar de mogelijkheden om bij een WOB-verzoek misbruik van de Wet dwangsom te voorkomen in relatie tot artikel 3, derde lid, WOB’.  

 
De prijs wordt sinds 2003 jaarlijks uitgereikt aan de auteur van de beste afstudeerscriptie over een voor wetgeving relevant onderwerp. Dit jaar is het onderwerp van de scriptieprijs verbreed naar het recht vanuit overheidsperspectief.
 
De scriptie gaat over een onderwerp dat de afgelopen weken in de schijnwerpers staat. Er is namelijk discussie over de toepassing van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen op de behandeling van verzoeken om informatie op grond van artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Veel bestuursorganen vermoeden dat een substantieel deel van de Wob-verzoeken wordt gedaan met het oog op financieel gewin. In het bijzonder doordat na het overschrijden van de beslistermijn een dwangsom verbeurd kan worden.
 
In de scriptie wordt verslag gedaan van een uitgebreid empirisch onderzoek naar de gewraakte praktijk. De gegevens uit dit onderzoek zijn gebruikt bij de beoordeling van een breed scala aan alternatieven om misbruik van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen op Wob-verzoeken aan te pakken. Ter gelegenheid van de prijsuitreiking heeft de Academie aan Saskia van den Heykant drie vragen gesteld. 

1.  Een conclusie van jouw onderzoek is dat de Wet dwangsom niet meer toegepast zou moeten worden op het nemen van besluiten op grond van de Wob. Is er dan nog wel een stimulans voor bestuursorganen om tijdig te beslissen op Wob-verzoeken? Verwacht jij niet dat sommigen dan gaan tijd rekken bij de behandeling van verzoeken die zij hinderlijk vinden?  

Dat is inderdaad een risico van mijn conclusie om de Wet dwangsom niet meer toe te passen bij Wob-verzoeken. De vraag is in hoeverre bestuursorganen openbaarheid van informatie belangrijk vinden en daar tijd voor vrij maken. Als geen dwangsom meer verbeurd kan worden bij Wob-verzoeken zou dat naar mijn mening niet ertoe moeten leiden dat de behandeling van Wob-verzoeken de laagste prioriteit krijgt. Ook zonder de Wet dwangsom blijft het van belang dat bestuursorganen binnen de beslistermijn een besluit nemen op een Wob-verzoek. 
 
Het heeft natuurlijk de voorkeur dat het betrokken bestuursorgaan en de Wob-verzoeker er onderling uitkomen, mocht er toch meer tijd nodig zijn. In mijn scriptie heb ik ook overwogen dat als dit niet lukt er voor de burger  wel voldoende mogelijkheden dienen te zijn om een tijdige beslissing desnoods te kunnen afdwingen. Dit zou bijvoorbeeld in de vorm van rechtstreeks beroep kunnen. Of door het opnieuw invoeren van de bezwaarprocedure bij niet tijdig beslissen op een Wob-verzoek. Hier zal mijns inziens nog nader onderzoek naar moeten worden gedaan. 

2.  Je constateert een aantal keer dat een bepaalde oplossing niet geschikt is wegens strijd met artikel 3, derde lid, Wob. Maar dat artikel, dat bepaalt dat een verzoeker om informatie bij zijn verzoek niet hoeft te stellen welk belang hij heeft bij die informatie, zou je toch ook kunnen wijzigen? Wil je dit eens uitleggen? 

Uit mijn onderzoek is gebleken dat een bestuursorgaan beter kan beoordelen of er sprake is van misbruik als er naar het belang van de verzoeker mag worden gekeken. Het zou een verbetering zijn als het belang van de verzoeker wel kan worden meegewogen. Dat hebben veel bestuursorganen aangegeven. In mijn onderzoek heb ik echter overwogen dat in Nederland al dertig jaar via jurisprudentie en later (ook) via wetgeving geldt dat degene die om informatie verzoekt daarbij geen belang hoeft te stellen. 

Het aanpassen of intrekken van artikel 3, derde lid, Wob  is een volledige afwijking van de doelstelling en achtergrond van de Wob. Ook is het in strijd met de Europese Verdragen van Aarhus en Tromsø. Ik heb daarom geconcludeerd dat aanpassen of intrekken van artikel 3, derde lid, Wob geen alternatief is om misbruik van de Wet dwangsom bij Wob-verzoeken te voorkomen. 

3.  Je hebt voor jouw scriptie vele Wob-verzoeken gestuurd naar allerlei bestuursorganen en bent dus een ervaringsdeskundige. Vind jij die wet hanteerbaar als verzoeker om informatie? Of zie jij mogelijkheden om de wet te vereenvoudigen voor de gebruikers ervan (dat wil zeggen, burgers en bestuursorganen)?

Alleen al over de vraag of er sprake is van een verzoek in de zin van de Wob is veel literatuur en jurisprudentie verschenen. Ook de toepassing van de verschillende weigeringsgronden van artikel 10 en 11 Wob heeft tot veel jurisprudentie geleid. Tijdens mijn onderzoek heb ik ervaren dat het toepassen en gebruiken van de Wob niet eenvoudig is. Zeker niet voor een burger die geen juridische kennis heeft. Het is mijns inziens niet voor niets dat er diverse bureaus zijn die zich hebben gespecialiseerd in het indienen en afhandelen van Wob-verzoeken. 
 
Een groot deel van het probleem is dat de Wob weliswaar uitgaat van ‘alles is openbaar tenzij’, maar dat veel bestuursorganen de Wob toepassen met de gedachte ‘het is geheim tenzij’. Dit leidt tot vele juridische procedures over wat nu wel of niet openbaar is en op welke wijze. 
 
Ik denk dat dit probleem voor een deel kan worden opgelost als bestuursorganen openbaarheid van overheidsinformatie als regel gaan zien en niet als uitzondering. Ook zouden zij veel meer gebruik kunnen maken van de mogelijkheid van actieve openbaarheid. Als een groot deel van de informatie die bij bestuursorganen aanwezig is actief openbaar is, is het indienen van een Wob-verzoek ook veel minder noodzakelijk. 

De scriptie is opgenomen in de publicatiereeks Recht en Overheid.